IISFRIJ

Is de Elfstedentocht een mythe geworden? Iets dat alleen nog in verhalen, en nu een musical, bestaat? Wat doet het verlies van niet alleen een natuurverschijnsel, maar ook van een stuk cultuur en dat bijzondere schaatssentiment met ons? De FryslânDok IJsvrij staat hier op prachtige wijze bij stil.

De documentaire werd vernoemd naar het gedicht IJsvrij, dat ik schreef in opdracht van journalist en documentairemaakster Wendy Kennedy die deze ontroerende documentaire maakte. De documentaire, die afsluit met het gedicht in combinatie met prachtige beelden van een winters Friesland, was te zien op zaterdag 30 september en zondag 1 oktober op NPO 2 en op Omrop Fryslân. Terugkijken kan hier. Of lees het gedicht hieronder in het Nederlands en het Frysk.

Bekijk de documentaire hier.

ijsvrij

IJsvrij

jij kent mij nog niet herkent nog niet de sneeuwstilte wanneer ik ’s nachts stiekem de wereld heb ingestopt de gesuikerde boomtoppen versierd met fijne doorzichtige tierlantijnen jij hoorde nog nooit mijn buitenaards lied dat zingend over de bevroren spiegel zijn weg zoekt, telde nog niet de dubbeltjes in het ijs, niemand drukte je op het hart zwem naar het donker, of juist het licht hoe word je winterwijs? zonder mij jij kent slechts de verhalen over dekens bedekt met rijp een stijf bevroren overal ontluikende ijsbloemen op stalramen, het lantaarnpaalstaren je nieuwsgierigheid wordt gewekt door het koortsachtig glanzen in de ogen van doorgewinterden die lijdzaam op mijn terugkeer wachten terwijl de seizoenen samensmelten als grijze verf in water lijkt mijn koninkrijk ten einde wat is een noorderling zonder mijn onverschrokken sneeuwdrift, zonder bont gekleurd peloton dat als een spreeuwenzwerm tussen de weilanden glijdt kon je de wereld maar op de kop houden en mij tevoorschijn schudden wakker uit mijn winterslaap een winters paradijs voor altijd

IIsfrij

do kenst my noch net werkenst noch net de sniestilte wannear’t ik nachts stikem de wrâld ynstoppe ha de sûkere beamtoppen fersierd mei fine trochsichtige fersiersels do heardest noch nea myn bûtenierdsk liet dat sjongend oer de beferzen spegel syn paad siket, teldest noch net de dûbeltsjes yn it iis, nimmen drukte dy op it hert swim nei it tsjuster, of krekt it ljocht hoe wurdsto winterwiis sûnder my? do kenst inkeld de ferhalen oer tekkens bedutsen mei ryp in stiif beferzen oeral útkommende iisblommen op stâlruten, it lantearnpealstoareagjen dyn nijsgjirrichheid wurdt wekker troch it koartseftich glânzjen yn de eagen fan trochwinterden dy’t duldsum op myn weromkommen wachtsje wylst de seizoenen gearrane as grize farve yn wetter liket myn keninkryk nei de ein te rinnen wat is in noarderling sûnder myn dryste sniedrift, sûnder bûnt kleure peloton dat as in protterswarm tusken de greiden glydt koest de wrâld mar op de kop hâlde en my tefoarskyn skodzje wekker út myn wintersliep in wintersk paradys foar altyd