
Stamvaders buigen zich over mij met onbevangen bosgezicht
strekken vertakkingen uit als handen beschermheren in schors gehuld
in deze groene kinderkamer met zacht zwierend licht
waar verbergen uiteindelijk thuiskomen is

Zwoel avondgoud tilt de zomergast
hoger dan blad ooit reiken kan

Mij wordt al enige tijd de adem benomen wortels geketend in een stenen kerker schimmels laten hun sporen na ook bomen kunnen niet oneindig reiken
ik mag dan wel onsterfelijk lijken toch sta ik voor het voldongen feit het verhaal nog lang niet rond neem ik net als voor het groeien ook voor het sterven alle tijd
wijze woorden worden vaak gesproken op het allerlaatste eind als er afscheid wordt genomen alles waardevoller blijkt
één boom maakt nog geen bos één mens geen mensheid ook al zijn jullie ontworteld het is nog geen gestreden strijd

Zo onder deze zwijgzame vrienden van al hun blad ontdaan
niets te ruizen slechts het kermen van een nabij gevallen kompaan
door houterige armen gevangen in het langzame vergaan
denk ik aan wat was en nog zal zijn en hoe je soms
alleen maar stil hoeft te staan om van voor af aan te beginnen